‘Inclusief onderwijs is onderwijs waarin alle kinderen en jongeren dichtbij huis volwaardig en gelijkwaardig toegang hebben tot een leeromgeving waarin zij samen leren, zich samen ontwikkelen en samen participeren.’
Deze definitie is gebaseerd op het sociaal model en op internationale verdragen die Nederland heeft ondertekend. Het sociaal model legt de nadruk op het wegnemen van belemmeringen in de schoolomgeving die leiden tot individuele aanpakken of uitsluiting van mensen met een beperking. Dit staat tegenover het medisch model, waarin een individuele aanpak of een beperking vooral wordt gezien als een individuele tekortkoming. We richten ons onderwijs dus niet speciaal anders in voor individuele kinderen, maar we ontwerpen ons onderwijs zó in dat alle kinderen hiervan profiteren. Dat is de kern van inclusief onderwijs vanuit het sociaal-contextuele model.
In de afgelopen decennia hebben steeds meer – goedbedoelde – psychologische benaderingen en individuele aanpakken hun weg gevonden naar het klaslokaal. Vanuit de hulpverlening kregen kinderen (en hun ouders/verzorgers) adviezen voor op school, die juf/meester eveneens met de beste intenties probeerde toe te passen. Maar een juf/meester is in de eerste plaats pedagoog en didacticus, geen psycholoog. De toenemende psychologisering van het onderwijs heeft veel gevraagd van juffen/meesters. Van hen werd verwacht dat zij tegemoetkwamen aan uiteenlopende individuele leerbehoeften: verschillen in leerstijl, motivatie, prikkelverwerking, interesses en talenten, enz.. Lange tijd lag de nadruk op het inspelen op al deze individuele verschillen. Inmiddels laat wetenschappelijk onderzoek naar leren zien dat de verschillen tussen kinderbreinen minder groot zijn dan vaak wordt gedacht, en dat leren bij iedereen volgens dezelfde principes verloopt.
Inclusief onderwijs begint bij de vraag hoe wij goed onderwijs organiseren voor álle kinderen op onze school. Het start bij de context (het sociaal-contextueel model van inclusie), niet bij het individu (medisch-individueel model van inclusie). We vertrekken samen vanuit een sterke pedagogische relatie en houden onze verwachtingen voor ieder kind zo hoog mogelijk. In de praktijk betekent dit dat wij niet vragen: “Wat heeft dit kind nodig?” Maar dat wij onszelf vragen: “Hoe richten wij ons onderwijs zo in dat ieder kind, dus ook dit kind, kan meedoen?” Zo verschuift ons denken vanuit het medisch-individueel model van inclusie naar het sociaal-contextueel model van inclusie.
Kortom: wat goed is voor ieder kind, is voor sommige kinderen essentieel om binnen het reguliere onderwijs mee te kunnen (blijven) doen.
Als wij op school een vermoeden hebben dat een kind slachtoffer is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, dan handelen wij zoals beschreven staat in de Meldcode Huiselijke Geweld en Kindermishandeling .
Onze school heeft de verantwoordelijkheid om effectief te reageren op signalen van kindermishandeling en huiselijk geweld. Vanaf juli 2013 is het landelijk verplicht om volgens de vijf stappen van de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling te handelen. In het kort houdt dit in:
Voor vragen kunt u terecht bij de kwaliteitscoördinator en de directie van de school.